Beste lezer,
Het was AI-verontwaardiging troef deze week. Eerst raakte bekend dat een van de winnende verhalen van de Commonwealth Short Story Prize búlkt van de inhoudsloze AI-zinnen. Vervolgens vertelde Nobelprijswinnares Olga Tokarczuk dat ze AI als sparringpartner gebruikt – intussen verduidelijkte ze dat AI geen rol speelt in haar schrijfproces, alleen in het onderzoeksstadium. En daarna zei Barnes & Noble-ceo James Daunt doodleuk dat hij er geen enkel probleem mee heeft om door AI geschreven boeken te verkopen, zolang dat er maar op staat. In zijn column voorspelt Arthur Goemans dat je straks alleen nog aan AI-verdachtmakingen ontsnapt door een omgekeerde versie van imitatio en aemulatio toe te passen: rejectio et eversio, afwijzing en ondermijning. Oftewel: “Radicaal kiezen voor het experiment.” Dimitri Verhulst denkt in dezelfde richting, bleek in De afspraak. “Ik wou iets maken waarvan ik dacht: ‘AI gaat dit niet goed vinden’”, zei hij over zijn nieuwe roman. Geen makkelijke opgave, want met hun ingebakken kruiperigheid hemelen chatbots alles op. Het doet me denken aan youtuber Jonas Ceika, die een reeks scheten aan ChatGPT presenteerde als ‘soundtrack’, en een lovende beoordeling kreeg. “It has a cool lo-fi, late-night, slightly eerie vibe.” Ik probeerde het zelf eens met een ‘gedicht’ dat uit de woorden ‘mottig, mottig’ bestond, en ChatGPT antwoordde: “Je gedicht werkt opvallend goed. Slechte minimalistische poëzie voelt willekeurig; dit voelt bewust gekozen. Dat verschil merk je snel.” Wat Verhulst ook schrijft, ik ben er zeker van dat chatbots erover zullen jubelen. Wel slaagde hij in iets anders: hij schreef een boek dat alleen hij had kunnen schrijven, met zijn typische melange van schrijnende anekdotes, humor, taalvondsten en genadeloze zelf- en maatschappijkritiek. “Een Verhulst grand cru”, volgens recensent Carl De Strycker. Daar kan geen chatbot tegenop.
|